Westkapelle toespraak (21-3-2011)

E-mailadres Afdrukken PDF

Op de Zeedijk bij voormalig kamp Westkapelle werd maandag 21 maart een monument voor de Molukse gemeenschap onthuld. Het is die dag precies zestig jaar geleden dat Molukse gezinnen zijn ondergebracht in het kamp Westkapelle.

Hoofd van het Front Siwa-Lima, Mevr. P.Sahureka werd als oud-bewoonster uitgenodigd, tijdens de onthulling van het monument gaf de politiek leidster een toespraak waarin zij haar ervaringen van toen deelde en hoe deze haar mede hebben gevormd tot het voeren van de RMS-strijd.

Hieronder een transcript van de toespraak d.d. 21-3-2011


 

M e n a .......


Hormat kepada semua,

Geachte aanwezigen, (Mevrouw Peijs, (Commissaris van de Koningin in Zeeland), dhr van Waveren, (gedeputeerde van Provincie Zeeland) en dhr van der Zwaag, (burgemeester van Veere)

Vandaag 21 maart 2011 is het exact 60 jaar geleden dat de eerste Molukkers voet aan wal zetten in Nederland.

Na Woerden, Beenderibben, Medemblik en Vught werd mijn familie in 1955 naar Zeeland overgebracht en kwamen we in Westkapelle, het uiterste punt van herrijzend Walcheren.

Verspreid door heel Nederland en vanuit de kampen waarin ze woonden zetten deze Molukkers vanaf 1951 hun strijd voor overleving en hun nationaal streven, de RMS, onverminderd voort.

Ook de Molukkers in het kamp Westkapelle waren voor de RMS.  Allen behoorden ze tot de PNMS, Partij Nasional Maluku Selatan,

Middels geweldloze acties en protesten confronteerde de PNMS de Nederlandse Regering met het onrecht van het Nederlands beleid t.a.v. de ex-KNIL militairen. Die acties werden door de politie meedogenloos beantwoord met bruut para militair geweld.

Onze moeders en wij als kinderen hadden aan den lijve en vooral psychisch deze onmenselijke situaties moeten ondervinden.

Alle voormalige bewoners van  kamp Westkapelle zijn levende getuigen hiervan en   ieder bewaart haar of zijn eigen bijzondere ervaringen en belevenissen, de een nog indrukwekkender dan de ander. Maar alles is de waarheid en vormt historische feiten die niet vergeten mogen worden in  de geschiedenis van 60 jaar Molukkers in Nederland.

Mijn naam is Pelpina Sahureka, ik ben een dochter van oom Emang Sahureka en tante Mina Akihary. Mijn vader was secretaris bij deze partij, de Partij Nasional Maluku Selatan. En dit is mijn verhaal van kamp Westkapelle zoals ik het heb beleefd en meegemaakt.

Het waren jaren van een aaneenschakeling van nachtmerries die je als kind meemaakte en die nog steeds op je netvlies gebrand staan: de beschietingen en invallen door de politie, hun hoge zwart glimmende laarzen,  die dreigend ronkende  motoren met zijspan, het gekletter van de geweren, omheiningen, prikkeldraden, honger en kou.

In schril contrast staan deze met herinneringen aan betere tijden van gezelligheid, saamhorigheid,  ondeugd, school en avontuur.

Vlagen van onbezorgde jeugdherinneringen zoals o.a. vliegeren, patulele, hommels vangen, glazan maken, ‘pasukan peleputus’, knikkeren, ikan gre en stiekem spelen bij de ‘ketoran’ (=kleine vuilnisbelt) achter het kamp. Bij terugkeer van de ‘ketoran’ bang om gesnapt te worden door oom Tahalea, onze algemene nanny.

Wie herinnert zich niet de zeer strenge oom Tahalea, die met een rotanstokje achter op de rug, ons kinderen orde, netheid en gehoorzaamheid tracht bij te brengen Wij kinderen zagen hem toen als een echte boeman. Alle kinderen waren bang voor hem.

We waren eerder bang voor hem dan voor de politie. En toch denken we nu met  een glimlach en veel ontzag aan hem  terug.

Onvergetelijk en hilarisch tegelijkertijd waren de zeldzame momenten van gezamenlijke  viering van oud en nieuw indien we als gezinnen bij elkaar waren.  Ik zag nog bung Agus voor me:  dik opgemaakt, als vrouw verkleed  met een hoofddoek om, luid lachend  aan de arm van zijn giechelende vrouw usi Nene, zich voorstellende als een nieuwe bezoekster die langs kwam.

Een ander gelukkig moment in kamp Westkapelle was de trouwerij van oom Nanu Leiwakabessy. Zelfs als kleuter voelde ik de leed en verlangen toen met oud- en –nieuw het lied : Beta mau pulang  (Ik wil terug naar huis) door de luidsprekers over de barakken galmde.

Als ik aan Westkapelle terugdenk, krijg ik steeds een beknellend onrustig gevoel. Nog steeds zie ik mezelf dan op de trappen van de hoofdingang staan en naar  de ooms en jongens keek die voetbalden op het grote veld dat tussen de  twee barakken stond. Nog steeds herinner ik me dat het aangenaam weer  was en dat alles nog gezellig rustig leek.

Toen opeens werd mijn aandacht getrokken door een groep politiemannen  die met veel dreigend kabaal richting de kamp kwamen aanmarcheren.  Ze stopten voor de poort en positioneerden zich zodanig dat ze de ingang tot de kamp versperden.  Ze namen hun geweren in de aanslag, richtten en begonnen met scherp op ons te schieten. De hel barstte los. Nog steeds zie ik voor me de hevig gevecht voor de poort dat ontstond toen onze eerder voetballende bungs en ooms naar de schietende politiemannen renden en ze probeerden te stoppen. Ik zag nog net hoe een oom neerviel. Getroffen door een kogel.

Later vernam ik dat onder anderen oom Otis Lewerissa, oom Salampessy, oom Ursepuny, oom Toontjie Turubassa, bung Paul Sitanala  en oom Bob Sahertian tot de zwaargewonden behoorden en naar het ziekenhuis werden overgebracht.

De tijd stond voor mij toen stil. Nu nog voel ik die schreeuwende stilte van afgrijzen en akelige onzekerheid.

Diezelfde avond kwam de politiemacht terug in het kamp en nam ze onze vaders en bungs  mee. Ze werden afgevoerd naar Doetinchem en daar als politieke gevangenen opgesloten. Toen bleven alleen wij kinderen en onze moeders in het kamp in Westkapelle achter.

Omheiningen met metershoge prikkeldraad werden om het kamp gebouwd. Vrouwen en kinderen werden ingesloten. Lantaarnpalen werden rondom geplaatst. Er kwam een politie controle post voor bij de poort. Dag en nacht werd door de politie om het kamp gepatrouilleerd.....9 maanden lang.

We kregen geen eten. En geen steenkool om de kamers te verwarmen. We werden geisoleerd van de wereld

Niemand mocht het kamp verlaten. Met onze moeders leefden we achter een omheining van prikkeldraad. En wij kinderen mochten niet naar school.....9 maanden lang
Niemand mocht eruit en niemand werd in het kamp toegelaten. Bezoekende vrienden  of familie werden voor het kamp al tegengehouden, opgepakt en weggevoerd.

Ik herinner me die dag dat mijn moeder, die toen  zwanger was, en uwa Mual even naar het strand wilden gaan. Ik mocht mee.  Eerst moesten we  ons bij de controle post  bij de ingang van het kamp melden.  Ik zag hoe mijn moeder een papiertje aan de politie overhandigde. Hij las het, schreef iets op en gaf het aan mijn moeder terug.  Op mijn vraag antwoordde mijn moeder me dat de politie had opgeschreven hoe laat we weer in het kamp terug moesten zijn.

Ik stond bij mijn moeder toen we een voedselpakket, toegestuurd door een familie, voor bij het kamp mochten ophalen.  Mijn jubelstemming werd ruw omgeslagen in complete verbazing en onbegrip toen de politie voor mijn ogen het rode pakje aardappelmeel met een mes doorstak waardoor alles op de grond neerviel.

Nu nog voel ik die ontzettende ontgoocheling als 4 jarige waardoor ik toen niet naar mijn moeder durfde te kijken.

Ons huis, een kamertje van 4 bij 4 meter in de barak, was altijd een gezellige drukte waar iedereen kwam. We gingen mikado spelen, kwartetten, kienen, dammen en leerden liedjes en lagu2. We vergaten de kou, het onrecht en het geweld buiten.  Zoals Willem Ursepuny mij laatst nog zijn herinnering vertelde dat de kinderen zich bij ons thuis verzamelden en kerstliedjes zongen.   Misschien was het zo mooi en ontroerend dat een patrouillerende politieman even stopte en luisterde. Toen gooide hij  pepermuntsnoepjes over de prikkeldraad door het raam naar binnen voor de kinderen.

Dezelfde toen 10 jarige Willem die met zijn katapult de lampen van de lantaarnpalen kapot schoot zodat de kinderen meer kans hadden om bij het vallen van de avond stiekem onder de prikkeldraden door konden sluipen om ongezien de dijk  boven te bereiken.  Deze nachtelijke avonturen werden alleen gedaan door de oudste kinderen van het kamp, in de leeftijd varierend van 7 tot 11 jaar.

Vanaf de dijk gingen de kinderen verspreid naar het dorp. Mijn broer Nus toen 8 jaar vertelde verder: daar kwamen we dan bij  de Zeeuwse families en bedelden om eten. De meeste Zeeuwse families stonden al klaar om ons op te vangen.  Nog voordat er aangeklopt werd deden ze de deur al open en trokken ze de kinderen het huis in.  Verder in de warme keuken stond de tafel al volop gedekt met eten.  Eerst zelf goed eten werd er gezegd. Terwijl we ons vol aten maakte de boer of boerin  de voedselpakketten klaar die we mee konden nemen voor de broertjes en zusjes thuis.

Mijn kleutertijd en de eerste jaren van de lagere school heb ik hier in Westkapelle doorgebracht.  De juffen en meesters waren lief maar wisten, geloof ik, ook niet wat ze met ons –de Amboneze kindertjes-  aan moesten. Zoals mijn broer Nus vertelde:  ‘Op de dag dat we onze rapporten moesten ophalen  had het hoofd van de school meester Sparrentak de Amboneze kinderen bij zich geroepen in een apart kamertje. Daar met nog andere juffen en meesters  wilden ze met de Amboneze kindertjes bidden. Want zei meester Sparrentak:” Ik zou graag met jullie in gebed voorgaan.  We weten niet wat er hierna gaat gebeuren....”

Het waren simpele woorden met een diepe impact.

Nu meer dan 55 jaar na dato voel ik me vereerd om mede namens de Amboneze kinderen van toen de zeer sympathieke Zeeuwse inwoners van Westkapelle te bedanken voor hun medeleven en moed. De  betrokkenheid en warme vriendschap van de meesters, juffen en al onze schoolvrienden blijven wij koesteren.

Terecht dat het monument hier in Westkapelle komt.

In onze herinneringen gedenken we met grote dankbaarheid en respect die enkele politiemannen die hun commandanten trotseerden om ons stiekem te  helpen.

Ook aan burgemeester van der Zwaag wil ik middels u onze dank betuigen aan de vissers van Veere toen. Elke keer nadat ze van de vissersboten in Veere kwamen,  keerden onze vaders  dan volgeladen en bepakt met vis op de fiets terug naar het kamp.

De ervaringen in kamp Westkapelle hebben me mede gevormd in wie ik nu ben en wat ik nu doe. De fakkel voor de RMS strijd heb ik overgenomen en door Maluku gevolmachtigd als Politieke Leidster van het Front SIWA-LIMA, de RMS volksstrijd doorgevoerd op internationaal niveau bij ondermeer de Verenigde Naties in New York en Geneve.

60 jaar Molukkers in Nederland.
Herhalingen van brute oorlogspraktijken op onschuldige Molukkers zoals in Westkapelle, Woerden, Pietersberg bij Westerbork, CC polder etc. moeten niet meer gebeuren.

De Molukkers moeten erkend worden in hun ware identiteit en waardigheid.

De waarheid over Molukkers in Nederland mag niet verzwegen, vernietigd of in de doofpot gestopt worden.

De waarheid van ons nationaal streven, de RMS volksstrijd in Maluku  niet langer ontkend, genegeerd en tegengewerkt worden.

Het gedane onrecht tegen de Molukkers kan niet teniet gedaan worden met de komst van een monument.  Een positieve toekomst tegemoet gaan is moeilijk zonder eerst in het reine te komen met het verleden.

Het is een moedig besluit om in het kader van 60 jaar Molukkers in Nederland voor de situatie in Westkapelle te kiezen. Ik zie dit als een welgemeende handreiking van provincie Zeeland en gemeente Veere naar de Molukse gemeenschap, een positief gebaar voor de toekomst.

Een toekomst voor ons Molukkers in Nederland dat onlosmakelijk verbonden is met ons Land, Volk en Cultureel Erfgoed van ons Tanah-Air Maluku manis-e.

M U R I A!